30 januari 2020

Chronische darmontstekingen hebben een betere prognose, maar komen steeds vaker voor

Chronische darmontstekingen, zoals de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa, hebben een betere prognose, maar komen steeds vaker voor, zo stelt Maag-, Darm-, Leverarts in opleiding Steven Jeuring. Hij promoveerde recent op zijn onderzoeken naar de veranderingen in het vóórkomen, de behandeling en het beloop van chronische darmontstekingen in Zuid-Limburg.
 
Chronische darmontstekingen (afgekort als ‘IBD’, naar het Engelse inflammatory bowel disease) hebben een grote impact op het dagelijks leven van patiënten. Regelmatig hebben patiënten last van klachten zoals buikpijn, diarree, bloederige ontlasting, aandrang en chronische vermoeidheid. Een deel van de patiënten krijgt gedurende zijn of haar leven te maken met ziekenhuisopnames, darmoperaties en soms ook met vernauwingen van de darm of fistels [ontstekingsgangetjes tussen de darm en een ander orgaan of tussen de darm en de huid]. In de afgelopen decennia zijn er veel ontwikkelingen geweest in de behandeling van en de zorg rondom IBD. De vraag of deze veranderingen ertoe hebben geleid dat het beloop van IBD is verbeterd, stond centraal in zijn proefschrift.
 
Ruim 80.000 patiënten met IBD in Nederland
Allereerst zagen we een duidelijke stijging in het aantal patiënten in Zuid-Limburg dat lijdt aan IBD. Werd in Zuid-Limburg  de diagnose in 1991 nog 120 keer per jaar gesteld, in 2010 was dit 260 keer per jaar, een stijging van 116%. Er werd op basis van de Zuid-Limburgse cijfers een schatting gemaakt van het totaal aantal IBD-patiënten in Nederland. “Waar eerdere studies lieten zien dat er 55.000 patiënten in Nederland lijden aan IBD, tonen onze cijfers dat dit aantal bijgesteld moet worden naar ruim 80.000”, vertelt Jeuring.  
 
Minder ziekenhuisopnames en operaties
Tussen 1991 en 2010 verbeterde het ziektebeloop op enkele punten. Zo nam het aantal patiënten met de ziekte van Crohn dat ooit in het ziekenhuis opgenomen moet worden af van 66% naar 44% en het aantal patiënten dat ooit geopereerd moet worden aan de darm af van 43% naar 17%. In het geval van colitis ulcerosa bleef het risico op een ziekenhuisopname vrijwel gelijk [20%], maar nam het risico op een darmoperatie ook af: van 7,5% naar 4,1%.
“Er wordt vaak gezegd dat we verbeteringen in het ziektebeloop te danken hebben aan nieuwe medicijnen”, vertelt Jeuring. “Echter, wij konden de verbeteringen in het ziektebeloop in Zuid-Limburg niet relateren aan specifieke medicijnen. Mogelijk dat andere factoren, zoals nieuwe behandelinzichten en veranderingen in de zorg rondom IBD en in de zorg in het algemeen, hier een grotere rol in spelen”. In de afgelopen jaren zijn er wederom enkele nieuwe medicijnen bijgekomen, zoals vedolizumab, ustekinumab en tofacitinib. “Toekomstig onderzoek moet zich daarom vooral richten op welk medicijn het meest-geschikt is voor welke patiënt, op welk moment”, besluit Jeuring.
 
Steven Jeuring promoveerde op dinsdag 10 december aan de Universiteit Maastricht op zijn proefschrift getiteld: ‘Temporal changes in the epidemiology, treatment and outcome of inflammatory bowel disease in South Limburg’.